Welk objectief?

Canon EF-objectieven

Iedere zichzelf respecterende camerafabrikant biedt meer objectieven dan de gemiddelde fotograaf zich kan veroorloven. Dus moet er een keuze worden gemaakt. Maar vooral de keuze van het eerste objectief verdient extra aandacht.

INHOUDSOPGAVE

    Canon EF-objectieven

    De Canon EF-objectieven zoals die in 2008 leverbaar waren. De professionele serie is herkenbaar aan de rode randje. Nikon gebruikt voor hetzelfde doel een gouden randje.

    Het is een vraag die bij de meeste fotografiecursussen terugkomt: “Welk objectief moet ik aanschaffen?”. Eigenlijk is dat niet de juiste vraag, omdat er nu eenmaal geen objectief bestaat dat voor alle doeleinden geschikt is. Iemand die geld verdient met fotograferen, zal al snel een ‘goedgevulde glasbak’Glasbak (=veel objectieven) hebben. Voor wie net begint is dan ook de vraag van belang, welk objectief als eersteEerste objectief aangeschaft wordt. Een veelgemaakte fout is dat een klein kapitaal wordt uitgegeven aan een professionele camera en dat er daarna geen geld meer over is voor een fatsoenlijk objectief. In het eerder verschenen artikel Welke fotocamera?, zeg ik daarover:

    “Voor de rest geldt dat een dure camera met een goedkoop objectief veel minder goede foto’s oplevert dan een goedkope camera met een goed objectief: investeer in goede objectieven. Laat onbekende merken links liggen, gebruik het liefst de objectieven van de camerafabrikant. Het mixen van verschillende merken leidt dikwijls tot kleur- en contrastverschillen. Ga ook niet voor gigantische zoomobjectieven. De beste kwaliteit wordt geleverd door objectieven met een vaste brandpuntsafstand. Als compromis kun je kiezen voor objectieven met een beperkt zoombereik.”

    Superzoomobjectieven zijn dikwijls lichter dan twee lichtsterke objectieven met een beperkt zoombereik. Fotografen spreken daarom ook wel over een wandellens: uitermate geschikt voor vakanties. Het uitgebreide zoombereik zorgt er bovendien voor dat je niet van objectief hoeft te wisselen. Dat laatste is goed als je stof buiten de camera wilt houden.

    Daarmee is de vraag welk objectief als eerste moet worden aangeschaft al grotendeels beantwoord. Bij objectieven met een zoomfactor van een factor zeven of hoger (bijvoorbeeld 18-125 mm) moet de fabrikant concessies doen aan de kwaliteit. Dat resulteert dan, bijvoorbeeld, in sterke tonvormige vertekening in de groothoekstand en niet al te hoge contrasten, of zelfs een gebrek aan scherpte in de uiterste telestand. Dat komt doordat een groothoekobjectief een andere opbouw heeft dan een teleobjectief, terwijl een Superzoomobjectiefsuperzoomobjectief beide functies moet bieden. Bovendien moet de diafragmaopening niet al te groot zijn omdat de mindere kwaliteit anders duidelijker zichtbaar wordt. Dat wil niet zeggen dat dit soort objectieven slecht zijn. Maar er zijn veel betere objectieven.

    Als we de fotograaf buiten beschouwing laten, is een objectief bepalend voor de kwaliteit van de foto en niet de camera. De stelregel is dus dat je beter een goed objectief en een matige camera kunt hebben dan andersom. Maar toch worden uitstekende camera’s dikwijls verkocht in combinatie met een matig objectief.

    Wat ga je fotograferen?

    Een full-frame-sensor is even groot als een opname op kleinbeeldfilm.

    Een full frame-sensor is even groot als een opname op kleinbeeldfilm: 36x24mm. Er zijn professionele camera’s die een nog veel grotere sensor gebruiken.

    Welk objectief je het best als startpunt voor je ‘collectie’ kunt aanschaffen, is afhankelijk van wat je wilt fotograferen. Maar die vraag is natuurlijk ook van belang voor je camerakeuze. Het gaat dan niet om Canon, Nikon, of welk merk dan ook, maar om de keuze van het sensorformaat.

    Vaak wordt gedacht dat een camera met een zogenaamde full frame-sensor ‘professioneler’ is dan een camera met een kleinere APS-C-sensor. Dat is onzin. In verreweg de meeste omstandigheden kunnen professionele fotografen met alle sensorformaten kwalitatief uitstekende foto’s maken. De kwalitatieve verschillen zijn vooral in extreme omstandigheden, bijvoorbeeld zeer slechte lichtomstandigheden te merken. Maar in een studio-omgeving kunnen de lichtomstandigheden zodanig naar de hand worden gezet, dat in alle gevallen een ruisvrije en haarscherpe foto wordt gemaakt. Waarom, zul je je misschien afvragen, zijn er dan fotografen die een Hasselblad gebruiken met een 60 megapixel-sensor die bijna 2,5 maal zo groot is als een een full frame-sensor? Daar zijn tal van antwoorden op te geven, maar het is een feit dat sensorformaten invloed hebben op de manier waarop een voorwerp op de foto komt te staan. En natuurlijk kan een foto van 60 megapixels groter worden afgedrukt dan een foto van 24 megapixels – dat is ook een voordeel, maar niet de belangrijkste reden.

    Vergelijking scherptediepte

    Links een opname gemaakt met de Apple iPad en rechts een opname gemaakt met een DLSR met een 105mm macro-objectief. Beide foto’s zijn ‘s avonds gemaakt bij bestaand licht. Let op het verschil in scherptediepte.

    Als we voor dit moment aannemen dat met alle sensorformaten een goede foto kan worden gemaakt, dan is het belangrijkste verschil tussen een kleine sensor en een grote sensor de scherptediepteScherptediepte. Smartphones hebben minuscule beeldsensors en het resultaat is dat zelfs bij een macro-opname een haast oneindige scherptediepte ontstaat. Op bijgaande foto’s is duidelijk te zien dat niet alleen de scherptediepte verschilt. De iPad bevond zich vlak boven de pagina (vandaar dat de lepel zo groot lijkt), terwijl de afstand tussen het macro-objectief en het boek ongeveer 60 centimeter bedroeg. Door het verschil in afstand, is een sterk verschil in perspectiefPerspectief ontstaan.

    Omdat het perspectief afhankelijk is van het standpunt van de camera, kun je ook niet voor alle soorten fotografie hetzelfde objectief gebruiken. Het ligt voor de hand dat paparazzi en sportfotografen lichtsterke objectieven met een brandpuntsafstand van 400mm of meer aanschaffen en dat de (binnenhuis)architectuurfotograaf een supergroothoekobjectief of een tilt-shift-objectief heeft. Maar deze stereotypen kloppen lang niet altijd. Het meestgebruikte objectiefMeest gebruikte objectief voor vrijwel iedere fotograaf is een zoomobjectief dat een bereik heeft van licht-groothoekig tot licht-tele.

    Een teleobjectief haalt het onderwerp ‘dichterbij’ – maar in de meeste gevallen is de invloed op het perspectief een belangrijker argument om teleobjectief te gebruiken.

    Jacob Kohnstamm met onscherp op de achtergrond Elco Brinkman

    Spelen met scherptediepte en met perspectief: terwijl Jacob Kohnstamm iets uitlegt laat Elco Brinkman zijn afkeuring blijken. Door het gebruik van een teleobjectief is de scherptediepte gering, waardoor Kohnstamm ‘loskomt’ van de achtergrond. Tegelijk is het perspectief ‘gedrongen’ waardoor de afstand tussen beide mannen geringer lijkt dan het in werkelijkheid is.

    Een kleinere sensor heeft dus een voordeel als je een relatief grote scherptediepte wilt hebben, bijvoorbeeld bij sommige vormen van reportagefotografie en zelfs productfotografie. De grotere sensor gebruik je als je wilt spelen met de scherptediepte.

     

    Cropfactor

    Om te begrijpen waarom verderop over beeldhoeken wordt gesproken in plaats van over brandpuntsafstanden, moet je weten wat verstaan wordt onder de crop-factor van een camera. Als je dit begrip al kent, kun je de uitleg hieronder overslaan.

    Verberg de uitlegToon de uitleg

    Bij compactcamera’s kan de crop-factor oplopen tot 5. Het voordeel is dat een compact 50mm objectief dan een zelfde beeldhoek heeft als een zwaar 350mm objectief van een professionele camera.

    Als je digitale camera geen full-frame sensor heeft, krijg je te maken met de crop-factor. Dat is de verhouding tussen de afmetingen van een 35mm negatief en de afmetingen van de beeldsensor. Bij een full frame-sensor is de crop-factor 1 omdat de sensor dan net zo groot is als een kleinbeelddia. Maar bij de zogenaamde APS-C-sensors bedraagt de crop-factor in de meeste gevallen tussen de 1,5 en 2,0. Dat heeft invloed op de beeldhoek: een kleinere sensor zal bij een zelfde brandpuntsafstand minder van het beeld laten zien dan een grote sensor. Door de brandpuntsafstand van een digitale camera te vermenigvuldigen met de cropfactor, wordt het zogenaamde 35mm-equivalent berekend. Die waarde geeft aan welk brandpuntsafstand je op een 35mm-camera moet gebruiken om eenzelfde uitsnede te krijgen. Een 28mm-objectief geeft bij een crop-factor van 1,5 een beeldhoek die overeenkomt met een 42mm-objectief (=28 x 1,5) op kleinbeeldfilm.  Met andere woorden: bij een crop-factor van 1,5 zou je het best drie objectieven kunnen kopen met brandpuntsafstanden van respectievelijk 19mm (of 23 mm), 33mm en 90mm (of 133mm).

    Wat je door de zoeker ziet is dus afhankelijk van de brandpuntsafstand van het objectief en de afmetingen van de sensor.

    Beeldhoek over diagonaal gemeten Brandpuntafstand bij 35mm film Brandpuntafstand bij crop-factor 1,5
    75 graden 28mm 19mm
    63 graden 35mm 23mm
    46 graden 50mm 33mm
    18 graden 135mm 90mm
    12 graden 200mm 133mm

    Omdat dat wat op de foto komt niet alleen afhankelijk is van de brandpuntsafstand, is het belangrijk om ook de crop-factor van de sensor te weten. Dat kan worden voorkomen door het voortaan niet meer over millimeters en de crop-factor te hebben, maar eenvoudigweg de beeldhoek te noemen.

    beeldhoek over de diagonaal gemeten bij verschillende brandpuntsafstanden.

    In deze grafiek (klik voor grote versie) kan worden afgelezen welke beeldhoek de brandpuntsafstanden van 5 tot 300 mm opleveren bij een aantal bekende sensorformaten.

    Te kleine beeldcirkel

    In deze foto is een objectief voor een APS-C-sensor gebruikt op een camera met een full frame-sensor. Het witte kader geeft het gebied aan waarvoor het objectief is ontworpen. Daarbuiten wordt het beeld onscherp en worden optische fouten als chromatische aberratie (de paarse randen) zichtbaar.

    BeeldcirkelBij het ontwerpen van een objectief wordt rekening gehouden met het sensorformaat. De doorsnede van het geprojecteerde beeld moet niet kleiner zijn dan de diagonaal van de beeldsensor. Maar de beeldcirkel veel groter maken, maakt het objectief duurder omdat dan hogere eisen aan de gebruikte materialen worden gesteld. Als een objectief met een te kleine beeldcirkel wordt gebruikt op een grote beeldsensor, wordt het beeld in de hoeken onscherp en donkerder (of zelfs zwart). Om die reden kan een 50mm objectief van bijvoorbeeld Canon, niet als groothoekobjectief voor een Hasselblad worden gebruikt. Objectieven die speciaal voor APS-C-formaat zijn ontworpen zijn bij Nikon herkenbaar aan de letters DX en bij Canon aan de letters EF-S (de S staat voor small image circle).

    Bovenstaande grafiek kun je ook als PDF downloaden. Meer informatie over de crop-factor vind je bij Wikipedia.

    Welke beeldhoek heb je nodig?

    In feite gaat het hier om de vraag of je een groothoekobjectief of een teleobjectief gaat gebruiken. De meeste mensen denken bij het woord ‘teleobjectief’ aan ‘dichterbij halen’. Niet helemaal onlogisch, maar vanuit fotografisch standpunt is het belangrijker dat de beeldhoek ook bepalend is voor het perspectief. Als je met een te grote beeldhoek werkt, worden voorwerpen op de voorgrond veel groter dan de voorwerpen op de achtergrond. Bij een te kleine beeldhoek ontstaat juist te weinig verschil. Een Standaardlens‘standaardlens’ heeft een beeldhoek van ongeveer 46 graden en dat is veel minder dan de beeldhoek van het menselijk oog. Toch wordt het in analogie met groothoek en tele een Normaalobjectiefnormaalobjectief genoemd. Dat komt doordat het perspectief ongeveer overeenkomt met dat van het menselijk oog.

    Productfoto

    Een objectief met een relatief kleine beeldhoek geeft over het algemeen een mooi perspectief bij zowel portretfotografie als productfotografie, maar kan ook problemen opleveren als de noodzakelijke afstand tussen camera en voorwerp niet beschikbaar is.

    Voor veel soorten fotografie geeft een brandpuntsafstand dat ongeveer anderhalf tot tweemaal dat van de standaardlens bedraagt een mooi perspectief. Dit komt neer op een beeldhoek tussen de 32 en 25 graden. Uitzonderingen zijn er voldoende te bedenken, dus het is geen wet van Meden en Perzen.

    Zelf fotografeer ik vanwege het perspectief graag met teleobjectieven, maar dat kan niet altijd omdat dan ook meer afstand tussen het voorwerp en de camera moet zijn. Neem bijvoorbeeld de foto van de schaal met mandarijnen die gefotografeerd is met een beeldhoek van 8,2 graden (overeenkomend met een 300mm objectief voor een full frame-sensor). De afstand tot de camera bedroeg 2.70 meter en dat was geen enkel probleem. Maar als de schaal schuin van bovenaf gefotografeerd had moeten worden, had ik op een flinke ladder moeten klimmen.

    Over de samenhang tussen brandpuntsafstand, beeldhoek en perspectief is veel meer te vertellen – als je dat ook wilt lezen kun je op de knop Toon de uitleg klikken.

    Verberg de uitlegToon de uitleg

    De term 35mm-equivalent wordt gebruikt om objectieven voor verschillende sensor-formaten met elkaar te vergelijken. Als in een advertentie gezegd wordt ‘zoombereik 18 tot 60 mm (35mm-equivalent: 27 tot 90 mm), wordt bedoeld dat de camera een kleinere sensor heeft dan een traditionele kleinbeeldcamera, maar dat de beeldhoek van het objectief overeenkomt met dat van een 29 tot 90 mm objectief voor zo’n traditionele kleinbeeldcamera. In dit voorbeeld bedraagt de crop-factor dan 29/18 = 1,5.

    In de grafiek onder het kopje Crop-factor blijkt dat  wat voor een Hasselblad een normaal-objectief is, voor het Four Thirds-systeem al een tele-objectief is. De brandpuntsafstand is gelijk, maar de afmetingen van de sensor verschilt. Veel fotografen herleiden met de crop-factor de brandpuntsafstanden van hun systeem naar het 35mm-equivalent35mm-equivalent. Omdat er veel verschillende sensorformaten zijn, en dus veel verschillende crop-factorwaarden, is het beter om niet meer over de brandpuntsafstand van een objectief te praten, maar over de beeldhoek. Als het denken in beeldhoeken nog wat lastig is, kan het helpen om termen als groothoek en tele te gebruiken.

    Je kunt er over discussiëren waar de grens tussen de objectiefsoorten moet worden getrokken. Laat deze volkomen arbitraire indeling je niet tegenhouden je eigen indeling te gebruiken.

    Beeldhoek Hasselblad Full frame APS-C Four Thirds
    Fisheye* 180  nvt  16mm  10,5mm  8mm
    Supergroothoek* 122 18mm 11mm 7mm 5mm
    Groothoek 75 43mm 28mm 18mm 13mm
    Lichte groothoek 63 55mm 35mm 22mm 17mm
    Normaal 46 80mm 50mm 33mm 25mm
    Lichte tele 30 125mm 80mm 50mm 40mm
    Tele 18 210mm 135mm 95mm 70mm
    Supertele 8 560mm 300mm 200mm 155mm
    * voor supergroothoeken gaan de berekeningen niet helemaal op omdat ondanks de geringe brandpuntsafstand toch een grote ruimte voor de spiegel moet worden vrijgehouden

    De hier genoemde brandpuntsafstanden zijn puur theoretisch – het is niet gezegd dat dergelijke objectieven werkelijk bestaan. Voor de Hasselblad H-serie, bijvoorbeeld, liggen de werkelijk leverbare brandpuntsafstanden tussen de 24mm en 300mm.

    Omdat je misschien nog gewend bent te denken in crop-factoren en 35mm-equivalenten, vermeld ik in de voorbeeldfoto’s hieronder behalve de beeldhoek ook de brandpuntsafstand zoals dat voor een full frame-sensor geldt. In de volgende serie foto’s is telkens een andere brandpuntsafstand gebruikt, maar de camera bleef op dezelfde plek staan. Hierdoor verandert alleen de uitsnede, maar het perspectief blijft precies hetzelfde: de eerste foto (8,2 graden) zou een met Photoshop gemaakte uitsnede van de fisheye-opname kunnen zijn. Hier worden de lange brandpuntsafstanden alleen gebruikt om het voorwerp dichterbij te halen en zo een bepaalde uitsnede te krijgen.

    Verschillende brandpuntsafstanden.

    Belangrijker dan de brandpuntsafstand, is de beeldhoek van een objectief. De beeldhoek is afhankelijk van de brandpuntsafstand en de afmetingen van de camerasensor. De foto’s voor deze afbeelding zijn gemaakt met een Nikon D300 (APS-C-sensor). De vermelde brandpuntsafstanden zijn omgerekend naar het 35mm-equivalent door de werkelijke brandpuntsafstand met 1,5 te vermenigvuldigen.

    Teleopname met perspectivische vervorming.

    Dat een teleopname hetzelfde perspectief heeft als het middelste gedeelte van een groothoekopname, wil niet zeggen dat er geen perspectivische vervorming is. Door het gebruik van een vrij sterk teleobjectief lijken de electriciteitsmasten dicht bij elkaar te staan.

    Maar als het alleen om de uitsnede ging, had ik dat ook kunnen bereiken met één brandpuntsafstand door dichter bij het huis te gaan staan. Dit wordt ‘zoomen met de voeten’Zoomen met de voeten genoemd. Fotografen die objectieven met een vast brandpuntsafstand gebruiken, kunnen alleen op die manier de uitsnede veranderen.

    Brandpuntsafstanden en beeldhoeken

    In principe kan een voorwerp met iedere brandpuntsafstand beeldvullend worden gefotografeerd door de afstand tot het voorwerp aan te passen.
    1) fisheye, 2) supergroothoek, 3) groothoek, 4) normaal, 5) tele, 6) supertele.

    Wat bovenstaande illustratie duidelijk maakt lijkt een open deur: met de juiste afstand kun je met iedere brandpuntsafstand een voorwerp beeldvullend fotograferen. Toch fotografeer je dan niet hetzelfde. Het vogelhuisje in onderstaand voorbeeld is op iedere foto ongeveer even groot. Omdat voor iedere foto een andere brandpuntsafstand werd gebruikt, moest ik steeds dichterbij gaan staan – precies zoals in de vorige illustratie is aangegeven.

    Vogelhuisje gefotografeerd met verschillende brandpuntsafstaden.

    Let op zowel het wijzigen van de achtergrond als op het wijzigen van de vorm van het vogelhuisje.

     

     

    Zweefmolen

    Deze foto is gemaakt met een fisheye-objectief, waardoor een sterke perspectivische vervorming is ontstaan

    Het eerste wat opvalt, is het wijzigen van de achtergrond. Bij de eerste opname is behalve het vogelhuisje alleen de (onscherpe) heg te zien, terwijl bij de laatste opnames een groot deel van de tuin zichtbaar is. Maar ook de vorm van het vogelhuisje verandert: naarmate de brandpuntsafstand korter wordt, lijken de balkjes op het dak verder uit elkaar te lopen. Deze perspectivischePerspectivische vervorming vervorming is kenmerkend voor groothoekobjectieven. Het overdreven perspectief wordt veroorzaakt door de afnemende verhouding tussen de afstand tot de camera en de diepte van het voorwerp. Bij de eerste opname stond de camera op ongeveer 10 meter afstand, waardoor de achterkant van het vogelhuisje zich op (pakweg) 10,35 meter bevond. Bij de fisheye-opname waren die afstanden gewijzigd in respectievelijk 35 cm en 70 cm.

    Hoe lichtsterk moet je objectief zijn?

    50mm-objectief van F1.4 tot F16

    Het diafragmagetal is de brandpuntsafstand gedeeld door de effectieve doorsnede van de lenzen. Door het diafragma dicht te draaien, wordt de effectieve doorsnede kleiner. Het brandpunt blijft gelijk en dat betekent dat het diafragmagetal groter wordt. In deze afbeelding staan de diafragmawaarden F1.4 (linksboven) tot F16 (rechtsonder).

    Moderne DSLR-camera’s, vooral die uit het hoogste prijssegment, hebben een bijzonder hoge maximale ISO-waarde terwijl de ruis binnen redelijke grenzen blijft. Als je ‘s avonds fotografeert bij het licht van normale straatverlichting, zal je camerainstelling bij ISO 100 waarschijnlijk in de buurt van F5.6 en 4 seconde liggen. Maar bij ISO 12.8000 kun je dezelfde foto maken met een belichtingstijd van 1/30ste seconde.  Toch zijn er minstens vier redenen om een lichtsterk objectief te kopen:

    • met een een kortere belichtingstijd kan bewegingsonscherpte worden voorkomen,
    • met minder scherptediepte zal een voorwerp beter ‘loskomen’ van de achtergrond,
    • met een lagere ISO-waarde zal de opname minder ruis bevatten,
    • in een nóg donkerder situatie kun je met een lichtsterker objectief toch nog uit de hand fotograferen.

    Voor het normaal-bereik (beeldhoek ongeveer 46 graden) zijn dikwijls objectieven met een lichtsterkte van F1,4 of zelfs F1.2 te koop zonder dat daar meteen de hoofdprijs voor wordt gevraagd. Voor groothoekzoomobjectieven en telezoomobjectieven is F2.8 de gangbare maximale lichtsterkte maar bij de meer extreme beeldhoeken (supergroothoek en supertele)  is F4 gebruikelijk. Alles wat in gunstige zin van deze getallen afwijkt kost heel veel geld extra.

    Hoe wil je scherpstellen?

    Vroeger kon de  autofocusmotor ook in de camerabody zitten.

    Deze vraag lijkt hier van ondergeschikt belang omdat de kwaliteit van de automatische scherpstelling (autofocus) grotendeels afhankelijk is van de camera en niet van het objectief. Het is immers de camera die de berekeningen uitvoert en verder hoeft er ‘alleen maar’ een kleine motor te worden aangestuurd die in het objectief zit ingebouwd. Toch is zelfs het beste autofocussysteem in de camera nutteloos als het objectief niet snel reageert.

    Op de tweedehandsmarkt kom je regelmatig objectieven zonder autofocusmotor tegen; vooral flinke telelenzen uit de oertijd van de fotografie. Maar in twintig jaar tijd zijn objectieven technologisch net zoveel vooruitgegaan als de camera’s zelf. Computers leveren betere ontwerpen, er zijn betere materialen en de productieapparatuur is ook verfijnder. Je moet je dan ook afvragen of het ontbreken van een automatische scherpstelling de enige reden is waarom je zo’n tweedehands objectief niet wilt kopen.

    Bij de aanschaf van een objectief is het daarom belangrijk te letten op de kwaliteit van de autofocusmotor. Iets oudere objectieven maken bijvoorbeeld gebruik van een lawaaierige traditionele elektromotor  waardoor ze klinken als een speelgoedauto met afstandsbediening en de scherpstelling relatief traag is. De beste systemen hebben piëzomotoren. Die zijn razendsnel en als je ze al hoort, lijkt het geluid op kort gesis. Merknamen die gebruikt worden voor deze vorm van autofocus zijn o.a. USM (Ultrasonic Motor) van Canon, AF-S (de S van  Silent Wave Motor) van Nikon en HSM (High Speed Motor) van Sigma.

    Beeldkwaliteit

    De beeldkwaliteit van een objectief wordt voornamelijk bepaald door zes kenmerken:

    • vertekening,
    • lichtafval naar de hoeken (vignetering),
    • scherpte in het midden en in de hoeken,
    • contrast (sferische aberratie),
    • kleurweergave en
    • chromatische aberratie.

    Naast de beeldkwaliteit is natuurlijk ook de mechanische kwaliteit van belang, maar dat valt buiten het bestek van dit artikel.

    Let op!

    Tonvormige vertekening, een lager contrast, kleurzweem, lichtafval in de hoeken en zelfs chromatische aberratie kunnen met Photoshop grotendeels worden gecorrigeerd. Dat geldt niet voor een ander veel voorkomend probleem bij goedkope objectieven: onscherpte in de hoeken.

    Goedkoop objectiefEen heel goedkoop objectief heeft een laag contrast, een duidelijke kleurzweem, een lage scherpte die naar de hoeken nog verder afneemt en duidelijk zichtbare chromatische aberratie in de hoeken. Daarmee is niet gezegd dat deze problemen bij de duurdere objectieven (geheel) afwezig zijn.

     Vertekening

    Een voorwerp dat dicht bij de camera staat, wordt groter weergegeven op een foto dan een voorwerp dat verder weg staat. Dat is het kenmerk van perspectief. Bij een foto van een muur, zal het midden van de muur zich dichter bij de camera bevinden dan de uithoeken van die muur.

    Bij het fotograferen van een muur is de afstand tussen het objectief en de  muur niet overal gelijk.

    Bij het fotograferen van een muur is de afstand tussen het objectief en de muur niet overal gelijk. Er zou dan ook sprake moeten zijn van perspectivische vertekening: de zijden van de muur zouden kleiner moeten worden weergegeven dan het midden.Toch gebeurt dat bij de meeste objectieven niet de muur

    Er zou dan ook sprake moeten zijn van perspectivische vertekening: de zijden van de muur zouden kleiner moeten worden weergegeven dan het midden. Toch gebeurt dat alleen als een fish-eye objectief wordt gebruikt. Bij andere objectieven wordt de muur als een (vrijwel perfecte) perfecte rechthoek afgebeeld. Dat gebeurt omdat hier bij het ontwerp van de lens rekening is gehouden. resten van de volstrekt natuurlijke tonvormige vertekening zijn soms nog zichtbaar bij ultragroothoekobjectieven en bij zoomobjectieven. Bij de zoomobjectieven komt dit doordat het erg moeilijk is om een objectief te ontwerpen dat op alle brandpuntafstanden een perfecte weergave heeft. De vervorming kan dan zichtbaar zijn als kussenvormige vertekening (overcorrectie) of tonvormige vertekening (ondercorrectie).

    Zelfs de duurste zoomobjectieven hebben last van een zekere vertekening.

    Tonvormige vertekening bij een groothoekobjectief

    Enige mate van tonvormige vertekening en vignettering (lichtafval in de hoeken) is bij groothoek-objectieven nauwelijks te voorkomen, ongeacht de prijs van het objectief. De blauwe lijn in de linker afbeelding laat zien hoe sterk het beeld vervormd is. In de middelste opname zijn de vertekening en de vignettering met Adobe Photoshop gecorrigeerd. Het beeld rechts laat zien welke delen van de foto door de aanpassing veranderd zijn: een donkerder tint staat voor een sterkere verandering.

     

    Lichtafval naar de hoeken (vignetering)

    Een objectief projecteert het beeld in een ronde cirkel. De beeldkwaliteit is het best in het midden van het beeld een neemt naar de randen toe af. Met speciale lensconstructies wordt geprobeerd de kwaliteit zo uniform mogelijk te houden over het hele beeld, maar zeker bij volledige lensopening kunnen fouten in het ontwerp hinderlijk zichtbaar worden, bijvoorbeeld in de vorm van donkerder hoeken. Dit is te voorkomen door een kleinere diafragmaopening te gebruiken, bijvoorbeeld F8. Nog verder diafragmeren (F16 of F22) kan juist weer een minder goede kwaliteit opleveren omdat door lichtverstrooïng het contrast en de scherpte afnemen.

     

    Vignetering is grotendeels te verwijderen met Adobe Camera Raw. Voor deze opname werd de goedkope 'kitlens' gebruikt die meegeleverd wordt bij de Sony Alpha 6000. Dit objectief geeft bij uiterste groothoekstand (16mm) en bijna geheel open diafragma (F4) veel vignetering. Maar dankzij het objectiefprofiel dat bij het maken van de opname in het RAW-bestand wordt opgeslagen, is de fout eenvoudig (grotendeels) te herstellen.

     

    Chromatische aberratie

    De feitelijke oorzaak van chromatische aberratie is een natuurkundig verschijnsel: de breking van licht die optreedt als licht door glas gaat, is niet voor iedere golflengte (kleur) gelijk. Dat is ook de reden waarom zonlicht met een prisma kan worden ontleed in ‘alle kleuren van de regenboog’. De mate waarin dat gebeurt is echter niet gelijk voor alle glassoorten. Door lenzen van verschillende materialen  in een objectief te combineren wordt het effect zo goed mogelijk opgeheven. Als dat niet helemaal lukt, noemen we dat chromatische aberratie.

    Chromatische aberratie betekent in feite dat het objectief niet voor alle kleuren hetzelfde brandpuntafstand heeft. De kleuren met korte golflengten (blauw-achtig) en lange golflengten (rood-achtig) verschillen daardoor iets in grootte en passen dus niet goed over elkaar. Dit resulteert in gekleurde randjes die vooral zichtbaar zijn in de beeldhoeken en bij hoge contrastverschillen. Hoeveel chromatische aberratie in een objectief optreed is in de praktijk afhankelijk van een aantal factoren:

    • Brandpuntafstand: Teleobjectieven hebben minder last van chromatische aberratie dan bij groothoekobjectieven. Dat komt doordat het licht bij een grote beeldhoek veel sterker gebroken (afgebogen) moet worden dan bij een teleobjectief. Dit maakt de correctie van het effect ook moeilijker.
    • Soort objectief: Chromatische aberratie kan beter gecorrigeerd worden bij objectieven met een vaste brandpuntafstand. Bij zoomobjectieven worden lenzen en lensgroepen binnen het objectief verplaatst om de brandpuntafstand te wijzigen en daarbij worden concessies gedaan aan de correctie van chromatische aberratie.
    • Prijs: Dure objectieven hebben minder last van chromatische aberratie dan goedkope objectieven. Dat komt niet alleen doordat bij de ontwikkeling meer tijd wordt besteed aan het corrigeren van lensfouten, maar ook doordat gebruik wordt gemaakt van duurdere glassoorten die een betere correctie mogelijk maken.
    • Diafragma: Diafragmeren naar F8 resulteert meestal in minder chromatische aberratie. Dat komt doordat bij een volledige lensopening (een lage diafragmawaarde) gebruik wordt gemaakt van de uiterste randen van de lenzen in een objectief en daar wordt het licht per definitie sterker gebroken waardoor de fout ook sterker zal optreden.
    • Sensorresolutie: Natuurlijk zal de feitelijke chromatische aberratie niet verschillen, maar bij eenzelfde objectief zal de lensfout op het beeldscherm meer opvallen als een sensor met hogere resolutie wordt gebruikt. Met andere woorden: een objectief dat op een 6 megapixelcamera nog prima voldeed zal bij een 48 megapixelscamera precies evenveel chromatische aberratie hebben, maar lensfouten zullen eerder opvallen. Dat komt alleen maar doordat de fouten over meer meer pixels verdeeld worden – bij een afdruk op gelijk formaat maakt het uiteraard niets uit.

    Zonodig kan Photoshop worden gebruikt om de gekleurde randen te verwijderen.

    Chromatische aberratie is geheel te verwijderen met Adobe Camera Raw. Let op de instellingen: behalve dat het hokje Kleurafwijking verwijderen is aangevinkt, zijn ook de Hoeveelheid paars en de Kleurtoon paars aangepast.

    Wil je de beste waliteit?

    Kwaliteit kost geld.
    Maar een tienmaal duurder objectief levert meestal niet een tienmaal betere kwaliteit.

    De beste kwaliteit krijg je met een objectief met een vaste brandpuntsafstand. Daar is geen discussie over mogelijk. Die kwaliteit blijkt onder andere uit de hoge scherpte van hoek-tot-hoek, een uitstekend contrast, geen vignetering, geen vertekening en vrijwel geen chromatische aberratie.

    Toen zoomobjectieven nog niet zo’n goede kwaliteit hadden als nu, liepen fotografen dikwijls met minimaal drie objectieven rond: 28mm voor groothoekopnames, 50 mm als standaardobjectief en 135mm als teleobjectief. Eventueel werd die set nog aangevuld met een 35mm en een 200mm. Wie heel gek wilde doen kocht daar nog een fisheye-objectief, een speciaal macro-objectief en een 300mm of 400mm objectief bij. Nog steeds zijn die eerste drie (28mm, 50mm en 135mm) een uitstekende basisset. Dat wil niet zeggen dat je per se drie objectieven met die brandpuntsafstanden moet gaan kopen want misschien moet je rekening houden met de cropfactor.

    Het voordeel van een set objectieven met vaste brandpuntsafstanden is dat de prijs meestal  meevalt, net als het gewicht, en dat de kwaliteit uitzonderlijk hoog is. Er zijn ook nadelen: zoomen moet je met je voeten doen en van objectief wisselen kost tijd. Daar komt nog bij dat er bij het wisselen van een objectief stof in je camera kan komen. Nog een nadeel is dat de grote cameramerken vooral inzetten op de ontwikkeling van zoomobjectieven waardoor zij relatief weinig moderne objectieven met een vaste brandpuntsafstand aanbieden. Fabrikanten als Carl Zeiss en Voigtländer spelen daar op in door dit soort objectieven aan te bieden, maar die zijn niet goedkoop.

    Wil je de bijna-beste kwaliteit?

    De bijna-beste kwaliteit krijg je met een zoomobjectief met een beperkt zoombereik (bijvoorbeeld 17-55mm bij een cropfactor van 1,5 of 24-70mm bij een full frame-sensor), een diafragma over het gehele zoombereik van F2.8 en een prijskaartje van tussen de 900 en 1600 euro. De prijs is hoger dan die van een enkel objectief en door de bewegende delen zijn de objectieven vrij groot. Een objectief in je broekzak meenemen is meestal niet mogelijk.

    Het grote voordeel is natuurlijk dat je snel van brandpuntsafstand kunt veranderen. Of een zoomobjectief goed is, kun je gedeeltelijk uit de prijs afleiden: de woorden goedkoop en goed gaan bij een zoomobjectief niet samen. Maar als voldoende geld wordt besteed, is de kwaliteit dusdanig dat de kwaliteit dicht in de buurt komt van die van objectieven met een vast brandpuntsafstand. En kleine foutjes kunnen voor een groot deel met Adobe Photoshop worden hersteld.

    Prijs

    Ruim 1300 euro verschil tussen de goedkoopste en de duurste leverancier.

    Ruim 1300 euro verschil tussen de goedkoopste en de duurste winkel.

    Soms is een iets oudere versie van een objectief honderden euro’s goedkoper dan een recent verschenen nieuwere versie die bijvoorbeeld een nóg betere beeldstabilisatie biedt. Maar zelfs bij de courante modellen is het verstandig te kijken welke winkel de laagste prijs biedt. Zelf gebruik ik websites als kieskeurig.nl of beslist.nl om de juiste leverancier te vinden – de prijsverschillen voor precies hetzelfde objectief zijn soms erg groot.

    Miriam van der Have is vakfotografe en docente. Bij Emday is zij verantwoordelijk voor de inhoud van het cursusmateriaal.

    Verberg commentaar'Toon commentaar

    Een reactie to “Welk objectief?”

    1. Mar 6th, 2013 :

      […] Over de keuze van een of meer objectieven heb ik een een apart artikel geschreven: Welk objectief? […]

    Reageer...

    You must be logged in to post a comment.

    Voorjaarsaanbieding!

    Bij de cursus Adobe InDesign Druk & Print, Adobe InDesign Digitaal Publiceren, Adobe Illustrator of CorelDraw, Adobe Photoshop Prepress of Adobe Photoshop Web in maart geldt een voorjaarskorting van 100 euro excl. btw! Of ontvang een prachtig tekentablet cadeau: een Wacom Intuos Pro Pen & Touch Tablet S (onder voorbehoud beschikbaarheid apparatuur, aanbiedingen worden niet gecombineerd).